 | MB betreffende de opleidingen van hondengeleider enz... |
2 OKTOBER 2009. - Ministerieel besluit betreffende de
opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de
kynologenhulpverlening, de accreditering van de
kynologenhulpverleningsteams & de functie van coördinator van de
kynologenhulpverleningsoperaties
De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet
op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, artikel 2; Gelet op het koninklijk
besluit van 11 oktober 2002 tot organisatie van kynologenhulpverleningsteams, de artikelen 4, tot 7,
9, 10, 12, 15, 18, 22, 24, 26, 32 en 33; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën,
gegeven op 6 juni 2008; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, gegeven
op 7 augustus 2008; Gelet op het protocol nr. 163/3 van 30 oktober 2008 van het gemeenschappelijk
Comité voor alle overheidsdiensten; Gelet op het advies nr. 45.639/2 van de Raad van State,
gegeven op 5 januari 2009, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° het koninklijk besluit : het
koninklijk besluit van 11 oktober 2002 tot organisatie van kynologenhulpverleningsteams; 2°
de Algemene Directie : de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst
Binnenlandse Zaken; 3° de Directeur-generaal : de Directeur-generaal van de Civiele Veiligheid
van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. HOOFDSTUK 2. - De opleiding en het getuigschrift
van hulphondengeleider Art. 2. Het Federaal Opleidingscentrum, bedoeld door het koninklijk
besluit van 8 april 2003 betreffende de opleiding van de leden van de hulpdiensten, verzekert de opleiding
van de hondengeleider. Het Federaal Opleidingscentrum kan de organisatie van een deel of van
de volledige opleiding delegeren aan de Provinciale opleidingscentra van de provincie Henegouwen en van
de provincie Antwerpen. Afdeling 1. - De toegangsvoorwaarden tot de opleiding Onderafdeling
1. - De vaccinaties Art. 3. Het vaccinatiegetuigschrift, bedoeld in artikel 5, § 1,
6°, van het koninklijk besluit, bewijst dat de kandidaat-hondengeleider gevaccineerd is tegen de volgende
ziektes : 1° tetanus; 2° hepatitis A; 3° hepatitis B. Art. 4. Het
vaccinatiegetuigschrift, bedoeld in artikel 6, § 1, 4°, van het koninklijk besluit, bewijst dat
de hond gevaccineerd is tegen de volgende ziektes : 1° de ziekte van Carré; 2° hepatitis; 3°
leptospirose; 4° parvovirose; 5° kennelhoest; 6° hondsdolheid. Onderafdeling
2. - De voorafgaande test Art. 5. § 1. De voorafgaande test bedoeld in artikel 6, §
1, 7°, van het koninklijk besluit, en georganiseerd in de vorm van een uniek parcours, omvat vier proeven
: 1° een sociabiliteitsproef; 2° een gehoorzaamheidsproef; 3° een behendigheidsproef; 4°
een aanwijzingsproef. Art. 6. § 1. De sociabiliteitsproef heeft als doel de standvastigheid
van het gedrag van de hond en zijn evenwichtige relatie met de mens te evalueren. De sociabiliteit
van de hond wordt geëvalueerd tijdens de volledige voorafgaande test en op het einde van een oefening.
De beschrijving van de oefening en de beoordelingsmodaliteiten worden vermeld in bijlage 1. §
2. De gehoorzaamheidsproef heeft als doel de reacties te evalueren van de hond op de bevelen die hem
gegeven worden. De gehoorzaamheid van de hond wordt geëvalueerd door middel van oefeningen tijdens
welke de hond precieze bevelen krijgt van de kandidaat en van de evaluatoren. De beschrijving van de
oefeningen en hun beoordelingsmodaliteiten worden vermeld in bijlage 2. § 3. De behendigheidsproef
heeft als doel de zelfzekerheid van de hond te evalueren in situaties met een wankel evenwicht en in
een luidruchtige, onstabiele of beperkte omgeving. De behendigheid van de hond wordt geëvalueerd
door middel van oefeningen die de situaties en de omgeving, bedoeld in lid 1, simuleren. De beschrijving
van de oefeningen en hun beoordelingsmodaliteiten worden vermeld in bijlage 3. § 4. De
aanwijzingsproef heeft als doel het vermogen van de hond te evalueren om de plaats aan te wijzen waar
hij een persoon ontdekt heeft. Voor elk van de specialiteiten, bedoeld in artikel 11, zijn er
specifieke aanwijzingsoefeningen. De beschrijving van de oefeningen en hun beoordelingsmodaliteiten worden
vermeld in bijlage 4. Art. 7. § 1. De proeven worden geëvalueerd door twee personen
die houder zijn van het getuigschrift van instructeur in de kynologenhulpverlening, bedoeld in hoofdstuk
IV van het koninklijk besluit. § 2. De kandidaat slaagt voor de voorafgaande test wanneer
hij en zijn hond ten minste zes tienden van de punten voor de socialibiliteits-, gehoorzaamheids- en
behendigheidsproeven, zeven tienden van de punten voor de aanwijzingsproef en zeven tienden van de punten
voor de vier proeven samen behalen. § 3. Tijdens de voorafgaande test wordt elke brutale
handeling van de kandidaat-hondengeleider ten opzichte van zijn hond gesanctioneerd met de onmiddellijke
uitsluiting van de kandidaat. De honden die agressief, angstig of apathisch blijken te zijn
tijdens de test, worden uitgesloten ongeacht de beoordelingen die ze behalen. Afdeling 2. -
De organisatie van de opleiding en van de examens Art. 8. Het certificaat wordt verstrekt
aan de kandidaat die ten minste 50 % behaalt voor elk van de materies bedoeld in bijlage 5 en 60 % voor
alle materies samen. Art. 9. De tijdens de twee theoretische opleidingsmodules onderwezen materies,
de duur van de cursussen en oefeningen van die opleiding, evenals het profiel van de lesgevers zijn conform
het programma vastgelegd in de bijlage 5. Art. 10. De Commissie voor gelijkstelling en vrijstelling,
bedoeld door het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot instelling van een Hoge Raad voor de opleiding
voor de openbare brandweerdiensten en twee Supraprovinciale Opleidingsraden voor de openbare brandweerdiensten,
geeft een advies aan de Minister inzake elke aanvraag tot vrijstelling voorzien door artikel 10 van het
koninklijk besluit. Ze raadpleegt vooraf het technisch Comité opgericht door artikel 35 van
het koninklijk besluit. De aanvraag tot vrijstelling kan ingediend worden door de kandidaat
die een slaagattest voor een gelijkwaardige opleiding inzake kynologenhulpverlening verstrekt, dat minder
dan vijf jaar oud is op de datum van de indiening van de aanvraag. Art. 11. De praktische
opleiding van hulphondengeleider omvat drie specialiteiten die elk het voorwerp uitmaken van een module
: 1° "reddingshond"; 2° "vlakterevierenhond"; 3° "speurhond op menselijke
geur". Art. 12. De module "reddingshond" strekt ertoe de kandidaat-hondengeleider en zijn hond
op te leiden in de volgende technieken : 1° het lopen van de hond in een afgebakende zone; 2°
het lokaliseren door de hond van een bedolven persoon; 3° het fixeren door de hond van de plaats
van ontdekking van een bedolven persoon; 4° het meedelen van die ontdekking door voldoende te
blaffen; 5° het evalueren door de kandidaat van het werk van zijn hond. Art. 13. De
module "vlakterevierenhond" strekt ertoe de kandidaat-hondengeleider en zijn hond op te leiden in de
volgende technieken : 1° het verkennen door de hond van een afgebakende zone door die zone systematisch
af te zoeken; 2° het lokaliseren door de hond van de aanwezigheid van een persoon; 3°
het fixeren door de hond van de plaats van ontdekking van die persoon; 4° het meedelen van die
ontdekking door voldoende te blaffen; 5° het organiseren door de kandidaat van de opsporing
in de afgebakende zone; 6° het evalueren door de kandidaat van het werk van zijn hond. Art.
14. De module "speurhond op menselijke geur" strekt ertoe de kandidaat-hondengeleider en zijn hond op
te leiden in de volgende technieken : 1° het volgen door de hond van het spoor van een vermiste
persoon op de geur; 2° het ontdekken door de hond van die persoon; 3° het aanduiden
door de hond van die persoon door voldoende te blaffen; 4° het organiseren door de kandidaat
van de opsporing in een afgebakende zone; 5° het evalueren door de kandidaat van het werk van
zijn hond. Art. 15. § 1. Elke praktische opleidingsmodule bestaat uit 60 uur opleiding. Art.
16. Op het einde van elke praktische opleidingsmodule wordt de kandidaat onderworpen aan een examen
georganiseerd door de instelling waarbij hij de module gevolgd heeft, dat ertoe strekt de kandidaat te
evalueren op het beheersen van de technieken respectievelijk bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14. De
kandidaat die minstens zes tienden van de punten behaalt op het examen dat een praktische opleidingsmodule
afsluit, krijgt, van de instelling die het examen georganiseerd heeft, een certificaat dat overeenstemt
met de tijdens de module waarvan sprake onderwezen specialiteit. Art. 17. De getuigschriften
van hulphondengeleider preciseren de specialiteit van de geslaagde praktische opleidingsmodule. De
getuigschriften van hulphondengeleider vermelden de identiteit van de hulphondengeleider die geslaagd
is voor de verschillende examens die de opleiding van hulphondengeleider bevat en de identiteit van de
hond waarmee hij de opleiding gevolgd heeft. HOOFDSTUK 3. - De accreditering en de permanente
opleiding van de kynologenhulpverleningsteams Afdeling 1. - De accreditering van de kynologenhulpverleningsteams Art.
18. De bevoegde instellingen inzake opleiding van hulphondengeleider brengen de Directeur-generaal of
zijn afgevaardigde, onmiddellijk op de hoogte wanneer zij een getuigschrift van hulphondengeleider uitreiken. Art.
19. De examencommissie, gelast om een federale test te organiseren met het oog op de accreditering van
de kynologenhulpverleningsteams, overeenkomstig artikel 15, lid 2, van het koninklijk besluit, is samengesteld
uit : 1° de Adviseur-generaal Operaties van de Algemene Directie of zijn afgevaardigde die
de examencommissie voorzit; 2° leden van het technisch Comité of hun afgevaardigde; 3°
twee ambtenaren van niveau A, één Franstalig en de ander Nederlandstalig van de Algemene Directie, aangeduid
door de Directeur-generaal of zijn afgevaardigde; 4° twee technisch adviseurs, één Franstalig
en de ander Nederlandstalig, gekozen door de Directeur-generaal of zijn afgevaardigde uit de coördinatoren
van de kynologenhulpverleningsoperaties op voorstel van het technisch Comité. Art. 20. §
1. De houders van een getuigschrift van hulphondengeleider die nog niet door de FOD Binnenlandse Zaken
geaccrediteerd zijn, evenals de hulphondengeleiders van wie de accrediteringskaart verlopen is, worden
door de examencommissie, bedoeld in artikel 19, uitgenodigd om aan de jaarlijkse federale test deel te
nemen. § 2. De modaliteiten van de federale test met het oog op de accreditatie van de
kynologenhulpverleningsteams variëren naargelang de specialiteit van de praktische opleidingsmodule. De
modaliteiten van de module "reddingshond" zijn opgenomen in de bijlage 6. De modaliteiten van
de module "vlakterevierenhond" zijn opgenomen in de bijlage 7. De modaliteiten van de module
"speurhond op menselijke geur" zijn opgenomen in de bijlage 8. § 3. In afwijking van
wat in bijlage 6 betreffende de module "reddingshond" wordt voorzien, het aantal zoektochten is tot een
zone teruggebracht, wanneer de hondengeleiders hun accreditatie wensen te vernieuwen. §
4. De federale test wordt geëvalueerd door een jury die bestaat uit minstens drie leden van de examencommissie
waarvan : 1° een lid van het technisch Comité; 2° een lid van de Algemene Directie; 3°
een technisch deskundige. Art. 21. De Directeur-generaal of zijn afgevaardigde reikt een accrediteringskaart
van kynologenhulpverleningsteam uit aan de hulphondengeleiders die laureaat zijn van de federale test. De
accrediteringskaart preciseert de specialiteit van het kynologenhulpverleningsteam. Afdeling
2. - De permanente opleiding van de kynologenhulpverleningsteams Art. 22. De permanente
opleiding van de door de FOD Binnenlandse Zaken geaccrediteerde kynologenhulpverleningsteams bestaat
uit oefensessies onder leiding van instructeurs in de kynologenhulpverlening. Art. 23. De permanente
opleiding van de kynologenhulpverleningsteams omvat 60 oefenuren per jaar. Art. 24. De oefenuren
en de evaluatie van de teams worden door de instructeurs opgenomen in een boekje voor permanente opleiding,
waarvan het model bepaald is door het technisch Comité. Art. 25. § 1. De instructeurs
die vaststellen dat een door de FOD Binnenlandse Zaken geaccrediteerd kynologenhulpverleningsteam niet
regelmatig aanwezig is op de permanente opleiding of dat de prestaties van een team tijdens de permanente
opleiding aantonen dat het technisch en operationeel niveau van dat team niet meer voldoende is om te
voldoen aan de vereisten van de interventies, delen dit mee aan de verantwoordelijke van de instelling
waarbij het team de permanente opleiding volgt. De instelling stelt, indien ze dat relevant
acht, een uitvoerig en gemotiveerd verslag op, ter attentie van de Directeur-generaal of zijn afgevaardigde,
dat de tijdelijke of definitieve intrekking van de accrediteringskaart van het betrokken team voorstelt.
§ 2. Elk voorstel van tijdelijke of definitieve intrekking van de accrediteringskaart,
wordt, door de verantwoordelijke van de instelling waarbij het team de permanente opleiding volgt, schriftelijk
meegedeeld aan het betrokken team. § 3. De Directeur-generaal of zijn afgevaardigde onderzoekt
het voorstel tot tijdelijke of definitieve intrekking van de accrediteringskaart en doet daarover een
uitspraak. Tijdens de onderzoeksprocedure van de tijdelijke of de definitieve intrekking van
de accrediteringskaart, verhoort de Directeur-generaal of zijn afgevaardigde de hondengeleider van het
betrokken team, die zich mag laten bijstaan door een raadsman, en vraagt hij het advies van het technisch
Comité over het aangeklaagde geval. De Directeur-generaal of zijn afgevaardigde betekent zijn
beslissing gelijktijdig aan de betrokkene, aan de verantwoordelijke van de instelling waarbij hij de
permanente opleiding volgt en aan het technisch Comité. Die beslissing wordt gemotiveerd en
vermeldt, indien nodig, de duur van de tijdelijke intrekking. Art. 26. § 1. De kynologenhulpverleningsteams
waarvan de accreditering opgeheven is, blijven de permanente opleiding volgen. § 2.
Op het einde van de tijdelijke intrekkingsperiode, informeren de instructeurs de verantwoordelijke van
de instelling over de toewijding en de prestaties van dat team tijdens de tijdelijke intrekkingsperiode. De
instelling stelt een uitvoerig en gemotiveerd verslag op, ter attentie van de Directeur-generaal of zijn
afgevaardigde, waarin de vaststellingen van de instructeurs opgenomen zijn. Dat verslag kan het herstel
of de verlenging van de tijdelijke intrekking of de definitieve intrekking van de accrediteringskaart
voorstellen. § 3. Indien de verlenging van de tijdelijke intrekking of de definitieve
intrekking niet voorgesteld wordt, herstelt de Directeur-generaal of zijn afgevaardigde de accreditatie
van het betrokken team. Hij betekent zijn beslissing gelijktijdig aan de betrokkene, aan de verantwoordelijke
van de instelling waarbij deze de permanente opleiding volgt en aan het technisch Comité. §
4. Indien de verlenging van de tijdelijke intrekking of de definitieve intrekking voorgesteld wordt,
zijn de modaliteiten van de procedure die daaruit voortvloeit, dezelfde als die welke beschreven worden
in artikel 26, § 3. HOOFDSTUK 4. - De opleiding van instructeur in de kynologenhulpverlening Art.
27. De opleiding van instructeur in de kynologenhulpverlening omvat twee specialisaties : 1°
Instructeur voor de opleiding van de kynologenhulpverleningsteams die als opdracht de opsporing en de
redding van bedolven personen door de "reddingshond" techniek en de opsporing van vermiste personen door
de "vlakterevieren" techniek hebben. 2° Instructeur voor de opleiding van de kynologenhulpverleningsteams
die als opdracht de opsporing van vermiste personen door de "speur" techniek hebben. Art. 28.
De opleiding omvat : 1° theoretische cursussen; 2° een toepassingsstage; 3°
het opstellen en het voorstellen van een eindwerk over de opleiding. Art. 29. § 1. De
theoretische cursussen zijn gemeenschappelijk voor de twee specialisaties. § 2. De tijdens
de theoretische cursussen onderwezen materies en de duur van die cursussen zijn conform het volgende
programma : 1° 30 uur human resources management; 2° 40 uur pedagogie; 3°
50 uur technieken van de drie specialiteiten bedoeld in artikelen 12 tot 14, met inbegrip van de oefeningen. §
3. De cursussen betreffende de in § 2, 1° en 2° bedoelde materies, worden gegeven door lesgevers
die een titel bezitten in de onderwezen materie. De cursussen inzake de technieken van de specialiteiten
worden gegeven door instructeurs in de kynologenhulpverlening of door coördinatoren van de kynologenhulpverleningsoperaties. §
4. Elke in § 2 bedoelde materie wordt afgesloten met een examen georganiseerd door de bevoegde
instelling inzake opleiding van instructeur in de kynologenhulpverlening, waarbij de kandidaat de opleiding
gevolgd heeft. De kandidaat is geslaagd voor de examens als hij minstens vijf tienden van de
punten behaalt in elke materie en zes tienden van de punten in het totaal. Art. 30. De toepassingsstage
en het eindwerk over de opleiding variëren naargelang van de door de kandidaat gevolgde specialisatie. Art.
31. De toepassingsstage kan gespreid worden over een periode van 12 maanden en duurt 160 uur. Tijdens
de stage leert de kandidaat, onder de leiding van instructeurs in de kynologenhulpverlening, hoe hij
de praktische opleiding die gegeven wordt aan de kandidaat-hulphondengeleiders, moet leiden. De
stage-uren en de evaluatie van de kandidaat door de instructeurs worden genoteerd in een stageboekje
waarvan het model door het technisch Comité vastgelegd is. Art. 32. Het eindwerk over de opleiding
wordt opgesteld tijdens de stageperiode en wordt beoordeeld op 100 punten. Op het einde van
zijn stage stelt de kandidaat het werk voor aan de jury, bedoeld in artikel 20, § 4. Art.
33. De kandidaat die geslaagd is voor de theoretische cursussen, die een positieve evaluatie gekregen
heeft tijdens zijn stageperiode en die minstens zes tienden van de punten behaald heeft voor zijn eindwerk
over de opleiding, krijgt van de bevoegde instelling inzake opleiding van instructeur in de kynologenhulpverlening,
een getuigschrift van instructeur in de kynologenhulpverlening. Die instelling brengt de Algemene
Directie op de hoogte van de uitreiking van het getuigschrift. De getuigschriften van instructeur
in de kynologenhulpverlening preciseren de specialisatie van de gevolgde opleiding. Art. 34.
§ 1. Elke vijf jaar organiseert de examencommissie, bedoeld in artikel 19, het actualiseringsseminarie
voor de verlenging van het getuigschrift van instructeur in de kynologenhulpverlening. §
2. Het actualiseringsseminarie omvat : 1° theoretische cursussen betreffende één of meerdere
actuele thema's inzake kynologenhulpverlening; 2° praktische oefeningen over de kennisoverdracht
naar de leerlingen, de leiding van een groep leerlingen en de methodes voor de evaluatie van leerlingen; 3°
een scriptie in verband met de functie van instructeur. § 3. De evaluatie heeft betrekking
op : 1° de antwoorden op een vragenlijst met betrekking tot de theoretische cursussen; 2°
een praktische test over hun bekwaamheid om een trainingssessie te leiden; 3° de scriptie die
de kandidaten voorstellen aan de jury. § 4. De kandidaat slaagt voor het actualiseringsseminarie
als hij minstens vijf tienden van de punten behaalt in elk deel van de evaluatie bedoeld in §
3 en minstens zes tienden van de punten in het totaal. HOOFDSTUK 5. - De coördinatie en het
inzetten van de kynologenhulpverleningsteams Afdeling 1. - De coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties
Art. 35. De kandidaat voor de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties
dient zijn kandidatuur in bij het technisch Comité dat ermee belast is na te gaan of de kandidaat voldoet
aan de voorwaarden die vastgelegd zijn in artikel 31, 1° en 2° van het koninklijk besluit. Art.
36. § 1. Tijdens het door het technisch Comité georganiseerde examen, wordt de kandidaat schriftelijk
en mondeling ondervraagd over de volgende materies : 1° de organisatie van de openbare brandweerdiensten
en van de operationele eenheden van de civiele bescherming; 2° de veiligheidsvoorschriften die
van toepassing zijn op de plaatsen van een hulpverleningsinterventie; 3° de inhoud en de wijze
van opstellen van de interventieverslagen; 4° het groepsmanagement. § 2. De
kandidaat die tijdens het examen minstens vijf tienden van de punten behaalt in elke in § 1 bedoelde
materie en minstens zes tienden van de punten in het totaal, wordt beschouwd als zijnde geslaagd voor
dat examen. Art. 37. Het technisch Comité vraagt aan de technisch deskundigen, aangehaald in
artikel 19, om een verslag te overhandigen over de volgende elementen : 1° de motivatie van
de kandidaat tijdens de interventies; 2° de toewijding van de kandidaat tijdens de oefeningen; 3°
de houding van de kandidaat ten opzichte van de veiligheid op de oefen- en interventieplaatsen. Art.
38. Het voorstel tot aanwijzing van een kandidaat in de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties
dat het technisch Comité overhandigt aan de Directeur-generaal of aan zijn afgevaardigde, bevat : 1°
een officieel document waarin verklaard wordt dat de kandidaat tot een openbare brandweerdienst of een
operationele eenheid van de civiele bescherming behoort; 2° een kopie van het getuigschrift
van instructeur van de kandidaat; 3° een door het technisch Comité uitgereikt attest dat de
kandidaat geslaagd is voor het in artikel 37 bedoelde examen; 4° een kopie van het in artikel
38 bedoelde verslag; 5° een globaal advies van het technisch Comité. Art. 39. Hij
deelt zijn beslissing gelijktijdig en schriftelijk mee aan de kandidaat en aan het technisch Comité. Afdeling
2. - Het inzetten van de kynologenhulpverleningsteams Art. 40. De procedure voor het inzetten
van de kynologenhulppverle-ningsteams is vastgelegd in bijlage 9. HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen Art.
41. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2008. Brussel, 2 oktober 2009. Mevr.
A. TURTELBOOM
Bijlage 1 Voorafgaande test bij de inschrijving van de
kandidaten-hondenbegeleiders Sociabiliteitsproef van de hond Beschrijving & beoordeling
van de oefeningen Tijdens het parcours wandelen de kandidaat en zijn hond, zonder te stoppen,
door een groep van ten minste vijf personen. Vervolgens keren ze terug naar de groep en stoppen ze in
het midden van de groep. De personen gaan weg en keren, samen, terug naar de kandidaat en zijn hond.
Na enkele draaibewegingen rond de hond neemt een instructeur de hond bij de leiband en verwijdert hij
zich van de groep. De kandidaat blijft in het midden van de groep. De instructeur verwijdert zich ongeveer
10 meter van de groep met de hond. Op het teken van de instructeur roept de kandidaat zijn hond binnen
in de groep. De sociabiliteitsproef staat op 100 punten. Een maximum van 50 punten wordt toegekend
voor de sociabiliteit van de hond gedurende de volledige voorafgaande test en een maximum van 50 punten
wordt toegekend tijdens het parcours. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit
van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de kynologenhulpverlening,
de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams en de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties. De
Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM
Bijlage 2 Voorafgaande
test bij de inschrijving van de kandidaten-hondenbegeleiders Gehoorzaamheidsproef van de hond Beschrijving
& beoordeling van de oefeningen 1) « Het volgen aan de leiband » (op 30 punten) : De
hond wordt door de kandidaat in de « zithouding » geplaatst. De kandidaat en de hond voeren een wandeling
in rechte lijn uit over een afstand van 20 meter. Ze draaien dan volgens een rechte hoek, naar rechts
of links. Vervolgens wandelen ze opnieuw over een lengte van 20 meter. Tijdens de oefening volgt
de hond de kandidaat zonder een belemmering te zijn bij de verplaatsing van de kandidaat. De kandidaat
mag geen harde trekbeweging maken met de leiband om de hond te doen gehoorzamen. 2) « Zitten
tijdens het wandelen » (op 15 punten) : De hond wordt door de kandidaat in de « basishouding
» geplaatst. De kandidaat en de hond voeren een wandeling uit in rechte lijn. Na 20 stappen beveelt de
kandidaat de « zithouding ». Hij gaat 10 stappen verder. De hond moet de houding innemen en behouden.
Op het bevel van de instructeur vervoegt de kandidaat zijn hond. 3) « Liggen tijdens het wandelen
» (op 15 punten) : De hond wordt door de kandidaat in de « basishouding » geplaatst. De kandidaat
en de hond voeren een wandeling uit in rechte lijn. Na 20 stappen beveelt de kandidaat de « lighouding
». Hij gaat 10 stappen verder. De hond moet de positie innemen en behouden. Op het bevel van de instructeur
roept de kandidaat de hond. De hond moet meteen terugkeren naar de kandidaat. 4) « Vrij liggen
in afwezigheid van de begeleider » (op 10 punten) : De hond wordt door de kandidaat in de «
lighouding » geplaatst. De kandidaat plaatst zich buiten het zicht van de hond gedurende 30 seconden.
De hond moet de « lighouding » aanhouden gedurende deze 30 seconden. Tijdens de oefening worden
gedurende 15 seconden snerpende geluiden gemaakt op een afstand van 20 meter van de hond. 5)
« Het naar voor sturen en het terugroepen » (op 10 punten) : De hond wordt door de kandidaat
in de « basishouding » geplaatst. De kandidaat en de hond voeren een wandeling uit. Na enkele stappen
stuurt de kandidaat zijn hond naar voor. De hond moet zich ten minste over een rechte lijn van 10 meter
verwijderen. Op het bevel van de instructeur roept de kandidaat zijn hond. 6) « Het springen
over obstakels » (op 10 punten) : De hond wordt door de kandidaat in de « basishouding » geplaatst.
De kandidaat beveelt « spring ! » aan de hond en duidt een obstakel aan dat door de instructeur bepaald
werd. De hoogte van het obstakel moet aangepast zijn aan de grootte van de hond. De hond moet de sprong
uitvoeren op de heenweg. Er mag een voorwerp geworpen worden om de hond te helpen. 7) « Het
dragen van de muilband » (op 10 punten) : De hond moet het dragen van de muilband verdragen.
De muilband wordt door de kandidaat aangebracht op het bevel van de instructeur. De oefening duurt ten
minste 15 seconden. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 2 oktober 2009
betreffende de opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de kynologenhulpverlening, de
accreditering van de kynologenhulpverleningsteams en de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties.
De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM
Bijlage
3 Voorafgaande test bij de inschrijving van de kandidaat-hondenbegeleiders Behendigheidsproef
van de hond Beschrijving & beoordeling van de oefeningen 1) « Evenwicht op een balk
» (op 10 punten) : De balk heeft een lengte van ten minste 4 meter en bevindt zich 40 cm boven
de grond. De hond, die niet aan de leiband gehouden wordt, moet over de balk lopen zonder te vallen. 2)
« Houten ladder » (op 20 punten) : De ladder is 2 meter lang en 40 cm breed. De sporten ervan
zijn geplaatst op 40 cm van elkaar en zijn 5 cm dik. De ladder is horizontaal geplaatst. De hond, die
aan de leiband gehouden mag worden, moet in de lengte over de ladder lopen zonder te vallen, zelfverzekerd
en zonder overhaasting. 3) « Bandenzone » (op 20 punten) : De zone heeft een oppervlakte
van ten minste 100 m2. Er zijn ten minste 3 lagen banden. De hond wordt door een instructeur
aan de leiband gehouden. De kandidaat, die zich aan de andere kant van de instructeur bevindt, roept
de hond. De hond moet de zone zelfverzekerd oversteken in de lengte. 4) « Loopbrug » (op 10
punten) : De loopbrug bestaat uit drie elementen. Twee schuine elementen en een horizontaal
element. Het horizontaal vlak bevindt zich 1 m 20 boven de grond. De schuine elementen hebben een lengte
van 2 m 20. De hond, die niet aan de leiband wordt gehouden, moet de loopbrug oversteken. 5)
« Zone met geluidproducerende voorwerpen » (op 10 punten) : Het gaat om een afgebakende zone
van 10 m lang en 2 m breed die bestaat uit geluidproducerende voorwerpen (bijvoorbeeld plastic flessen).
Een van de uiteinden en de zijkanten van de zone zijn afgesloten. De hond moet een persoonlijk voorwerp
apporteren dat door de kandidaat op het einde van de afgesloten zone gegooid werd. 6) « Vaste
tunnel » (op 10 punten) : Het gaat om een vaste tunnel van 2 m lang met een diameter tussen
60 en 80 cm. De hond moet de tunnel doorlopen op het bevel van de kandidaat. 7) « Lopen over
een onstabiel oppervlak » (op 20 punten) : De hond moet over een onstabiel oppervlak lopen over
ten minste 4 meter. De onstabiele elementen kunnen van verschillende aard zijn. De kandidaat vergezelt
de hond zonder hem aan de leiband te houden. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel
besluit van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de
kynologenhulpverlening, de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams en de functie van coördinator
van de kynologenhulpverleningsoperaties. De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr.
A. TURTELBOOM
Bijlage 4 Voorafgaande test bij de inschrijving van
de kandidaat-hondenbegeleiders Aanwijzingsproef Beschrijving & beoordeling van de specifieke
oefeningen per specialiteit a) Specialiteit « reddingshond » De aanwijzingsproef bestaat
erin de hond te laten blaffen bij een bepaalde verstopplaats, die gekend is door de kandidaat en de hond,
waar een persoon zit die de rol van slachtoffer speelt. De hond mag door het slachtoffer gemotiveerd
worden met behulp van een vertrouwd voorwerp van de hond. Het slachtoffer is verborgen. De kandidaat
bevindt zich op ten minste 15 meter van de plek waar het slachtoffer zit. Het blaffen en het fixeren
moeten gedurende ten minste 5 seconden aangehouden worden. Toekenning van de punten : 50
punten voor het blaffen; 30 punten voor het vermogen van de hond om te werken op een afstand
van de kandidaat; 20 punten voor het fixeren van het slachtoffer. b) Specialiteit
« vlakterevierenhond » De aanwijzingsproef bestaat erin de hond te laten blaffen bij een persoon
die de rol van slachtoffer speelt. Deze persoon zit neer op de grond en heeft de hond gemotiveerd vooraleer
hij zich verwijderd heeft van het koppel kandidaat/hond. Het slachtoffer is zichtbaar. De kandidaat bevindt
zich op ten minste 20 meter van de plek waar het slachtoffer zich bevindt. Het blaffen en het fixeren
moeten gedurende ten minste 5 seconden aangehouden worden. Toekenning van de punten : 50
punten voor het blaffen; 30 punten voor het vermogen van de hond om te werken op een afstand
van de kandidaat; 20 punten voor het fixeren van het slachtoffer. c) Specialiteit
« speurhond op menselijke geur » Het spoor heeft een lengte van 200 meter. Het begin van het
spoor is aangeduid met een paaltje. Nadat hij gedurende een minuut op de plaats van het vertrekpaaltje
gebleven is, wandelt de persoon die het spoor uitzet in rechte lijn over 100 m. Vervolgens maakt hij
een rechte hoek, naar links of naar rechts, en vervolgt hij zijn traject in rechte lijn over 100 m. Op
het einde van het spoor verstopt hij zich buiten het zicht van de hond. De hond vertrekt vanaf het moment
dat de persoon die het spoor uitzet zich verstopt heeft. Deze persoon heeft het motivatievoorwerp van
de hond en beloont de hond bij zijn aankomst. Het blaffen op het eind van het spoor is niet verplicht. De
hond moet uit eigen beweging werken en mag niet geleid worden door de kandidaat. Toekenning
van de punten : 60 punten voor de motivatie om het spoor te volgen en om het spoor aan te houden; 20
punten voor het respecteren van de hoek; 20 punten voor het fixeren van het slachtoffer. Gezien
om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider
en van instructeur in de kynologenhulpverlening, de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams
en de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties. De Minister van Binnenlandse
Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM
Bijlage 5 Programma van de theoretische
opleiding van hulphondengeleider | Onderwezen materies | Profiel van
de lesgever | Aantal cursus uren
| | Eerste module
|
|
| | 1)
Organisatie van de openbare hulpdiensten, de politie en de gerechtelijke overheden :
|
| 3
| | a)
brandweerdiensten | Brandweerofficier of een ambtenaar van de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid |
| | b)
operationele eenheden van de Civiele Bescherming (CB) | Officier van een operationele eenheid van de
CB of een ambtenaar van de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid |
| | c) federale
& lokale politie en gerechtelijke overheden | Officier van politie of magistraat |
| | 2)
Radioprocedure | Lid van een openbare hulpdienst - specialist | 1
| | 3) Kaartlezen en
overlevingsnoties | Lid van een openbare hulpdienst - specialist | 6
| | 4) Touwen en
knopen | Lid van een openbare hulpdienst - specialist | 4
| | 5) Reddings- en bergingstechnieken | Lid
van een openbare hulpdienst - specialist | 14
| | 6) Eerste zorgen slachtoffers | Arts
of verpleger met een brevet spoedgeneeskunde | 10
| | Tweede module
|
| urenurenuren
| | 7)
Eerste zorgen honden | Dierenarts | 8
| | 8) Psychologie van de bedolven en verdwaalde
persoon - Sociologie van de interventie en stressbeheer | Psycholoog | 4
| | 9) Ethologie
en algemene hondenopleiding | Specialist | 15
| | 10) Reddingshond en vlakterevierenhond | Lid
van een openbare hulpdienst of van de federale politie - specialist | 21
| | 11) Speurhond
op menselijke geur | Lid van een openbare hulpdienst of van de federale politie - specialist | 12
| | 12)
Organisatie van de kynologenhulpverleningsoperaties | Coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties | 1
| | 13)
Reglementering betreffende de kynologenhulpverleningsteams | Ambtenaar van de Algemene Directie van
de Civiele Veiligheid | 1 | Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel
besluit van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de
kynologenhulpverlening, de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams en de functie van coördinator
van de kynologenhulpverleningsoperaties. De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr.
A. TURTELBOOM
Bijlage 6 Federale test voor de accreditering van de
kynologenhulpverleningsteams Reddingshond Verloop test - Aantal zones : 2
zones met : 0, 1, 2 of 3 slachtoffers. - Oppervlakte van de zones : min 800 m2
en max 1 600 m2 - Tijdslimiet : 20 minuten per zone. - Tussentijd
tussen de twee zones : 15 minuten. Puntenverdeling - De test staat op 100 punten (50
punten per zone), verdeeld als volgt : - 10 punten voor het werk van de hondengeleider, -
10 punten voor de motivatie en het algemeen gedrag van de hond, - 30 punten voor het vinden
van slachtoffers. De toekenning van deze 30 punten gebeurt als volgt : - 1 slachtoffer
binnen de zone = 30 punten voor het vinden van het slachtoffer, - 2 slachtoffers binnen de zone
= 15 punten per slachtoffer dat gevonden wordt, - 3 slachtoffers binnen de zone = 10 punten
per slachtoffer dat gevonden wordt. - Indien er een foutaanduiding gebeurt, worden punten afgetrokken,
als volgt : - 1 slachtoffer binnen de zone = - 30 punten voor een foutaanduiding. -
2 slachtoffers binnen de zone = - 15 punten per foutaanduiding. - 3 slachtoffers binnen de zone
= - 10 punten per foutaanduiding. - De kandidaat is geslaagd voor de test wanneer hij : -
minstens vijf tienden van de punten behaalt voor elke zone. Wanneer de kandidaat geen vijf tienden van
de punten behaalt, mag hij niet beginnen met de zoektocht in de tweede zone. - in totaal ten
minste zes tienden van de punten behaalt. Modaliteiten - De kandidaat draagt een werfhelm
tijdens de test. - Indien de kandidaat het slachtoffer toont aan zijn hond, wordt hij uitgesloten
van de test. - De hond duidt duidelijk de plaats waar het slachtoffer zich bevindt aan en legt
ze vast door voldoende te blaffen. De kandidaat bevestigt vervolgens aan de jury de aanwezigheid van
een slachtoffer. De jury geeft het teken om de zoektocht naar een ander slachtoffer verder te zetten. -
Op het einde van het doorzoeken van elke zone kan de jury de kandidaat nog kort ondervragen over zijn
parcours. - Het aantal te zoeken slachtoffers wordt niet meegedeeld aan de kandidaat. -
Er wordt een briefing georganiseerd voor de kandidaten om hen te herinneren aan de veiligheidsinstructies
op het terrein. - Tijdens de test mag de kandidaat geen toegang hebben tot communicatiemiddelen. -
De kandidaat die onregelmatigheden begaat met betrekking tot de plaatsen waar zich mogelijk slachtoffers
bevinden, wordt van de test uitgesloten. - Er mogen geen verstorende elementen, zoals voedsel
of kledingsstukken, op het terrein worden gelegd. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel
besluit van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de
kynologenhulpverlening, de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams en de functie van coördinator
van de kynologenhulpverleningsoperaties. De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr.
A. TURTELBOOM
Bijlage 7 Federale test voor de accreditering van de
kynologenhulpverleningsteams Vlakterevierenhond Verloop test - De test gebeurt
op een terrein met een oppervlakte van min. 0,6 km2 en max. 1 km2. -
Duur van de test : 1 u. - Op het terrein moet een slachtoffer gevonden worden. Het slachtoffer
wordt er geplaatst een kwartier voor het begin van de test. Puntenverdeling - De test
staat op 100 punten, verdeeld als volgt : - 30 punten voor het werk van de hondengeleider, -
30 punten voor de motivatie en algemeen gedrag van de hond, - 40 punten voor het vinden van
het slachtoffer. - De kandidaat is geslaagd voor de test als hij in het totaal minstens zes
tienden van de punten behaalt. Modaliteiten - Indien de kandidaat het slachtoffer toont
aan zijn hond, wordt hij uitgesloten van de test. - De hond duidt duidelijk de plaats waar
het slachtoffer zich bevindt aan en legt ze vast door voldoende te blaffen. De kandidaat bevestigt vervolgens
de aanwezigheid van het slachtoffer aan de jury. - Op het einde van de test kan de jury de
kandidaat nog kort ondervragen over zijn parcours. - Er wordt een briefing georganiseerd voor
de kandidaten om hen te herinneren aan de veiligheidsinstructies op het terrein. - Tijdens de
test mag de kandidaat geen toegang hebben tot communicatiemiddelen. - De kandidaat die onregelmatigheden
begaat met betrekking tot de plaatsen waar zich mogelijk slachtoffers bevinden, wordt van de test uitgesloten. -
Er mogen geen verstorende elementen, zoals voedsel of kledingsstukken, op het terrein worden gelegd. Gezien
om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider
en van instructeur in de kynologenhulpverlening, de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams
en de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties. De Minister van Binnenlandse
Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM
Bijlage 8 Federale test voor de
accreditering van de kynologenhulpverleningsteams Speurhond op menselijke geur Verloop
test : Het spoor heeft een lengte van circa 1 500 m en wordt gelegd ongeveer 3 uur voor aanvang
van de test. Het loopt over gecombineerde terreinen met verschillende ondergrond. Het spoor bevat minstens
10 richtingsveranderingen en minstens één oversteek van de rijbaan. In de omgeving van de start van het
spoor wordt door de spoorlegger een referentievoorwerp achtergelaten welke de hond in staat stelt geur
op te nemen en de start van het spoor op te zoeken. Op het spoor worden door de spoorlegger 4 voorwerpen
neergelegd welke de hond moet aanduiden. Door de gedragingen welke de hond vertoond, liggen, stilstaan,
blaffen, e.a., moet de geleider in staat zijn de voorwerpen met de geur van de spoorlegger te herkennen.
De spoorlegger heeft de voorwerpen en het referentievoorwerp ten minste 15 min voor het leggen van het
spoor bij zich. De hond moet zelfstandig het spoor uitwerken. Wanneer de hond meer dan 25 m van het spoor
afwijkt kan de test beëindigd worden. De spoorlegger bevindt zich op het einde van het spoor en moet
door de hond worden aangeduid d.m.v. blaffen of duidelijke interesse tonen. De test wordt georganiseerd
bij normale klimatologische omstandigheden. Puntenverdeling : - De test staat op 100
punten, verdeeld als volgt : - 10 punten voor het werk van de hondengeleider, - 20
punten voor de motivatie en de algemene houding van de hond, - 40 punten voor het uitlopen van
het spoor - 10 punten voor het aanduiden van de voorwerpen - 20 punten voor het aanduiden
van het slachtoffer - De kandidaat is geslaagd voor de test als hij in het totaal minstens zes
tienden van de punten behaalt. Modaliteiten : - De hond volgt enkel het spoor van de
persoon waarvan hij de referentiegeur heeft. - Indien de kandidaat het slachtoffer toont aan
zijn hond, wordt hij uitgesloten van de test. - De hond duidt enkel de voorwerpen aan met de
geur van de spoorlegger (slachtoffer). - Op het einde van de test kan de jury de kandidaat nog
kort ondervragen over zijn parcours. - Tijdens de test mag de kandidaat geen toegang hebben
tot communicatiemiddelen. - De kandidaat die onregelmatigheden begaat wordt van de test uitgesloten. Gezien
om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider
en van instructeur in de kynologenhulpverlening, de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams
en de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties. De Minister van Binnenlandse
Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM
Bijlage 9 Inzet van de kynologenhulpverleningsteams 1.
Wie kan de interventie vragen van de kynologenhulpverleningsteams ? a) Bij een ramp, een catastrofe
of een schadegeval is het de directeur van de hulpverleningsoperaties die beslist om beroep te doen op
de kynologenhulpverleningsteams. De directeur van de hulpverleningsoperaties of zijn plaatsvervanger
informeert het territoriaal bevoegde 100-centrum dat de interventie die hij leidt de inzet vereist van
kynologenhulpverleningsteams; hij geeft het 100-centrum alle informatie die nodig is voor de interventie
van deze teams. b) Bij de verdwijning van personen van wie de fysieke integriteit bedreigd
kan zijn, zijn het de gerechtelijke autoriteiten of de politie die beroep doen op de kynologenhulpverleningsteams. De
gerechtelijke autoriteiten of de politie die de interventie verzoeken van kynologenhulpverleningsteams,
informeren het territoriaal bevoegde 100-centrum over hun aanvraag; ze verstrekken aan het 100-centrum
alle informatie die nodig is voor de interventie van deze teams. 2. Rol van de 100-centra a)
Indien de interventie plaatsvindt in het Waals Gewest : het 100-centrum belt de operationele eenheid
van de Civiele Bescherming van Crisnée (tel. : 04-257 66 00). b) Indien de interventie plaatsvindt
in het Vlaams Gewest : het 100-centrum belt de brandweer van Merelbeke (tel. : 09-210 59 80). c)
Indien de interventie plaatsvindt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : het 100-centrum belt de operationele
eenheid van de Civiele Bescherming van Crisnée (tel. : 04-257 66 00) indien de door de aanvrager gebruikte
taal het Frans is, en de brandweer van Merelbeke (tel. : 09-210 59 80) indien de door de aanvrager gebruikte
taal het Nederlands is. Het 100-centrum geeft aan de operationele eenheid van de Civiele Bescherming
van Crisnée of aan de brandweer van Merelbeke de informatie door die meegedeeld werd door de directeur
van de hulpverleningsoperaties of de gerechtelijke autoriteiten of de politie. 3.
De twee in punt 2 bedoelde hulpdiensten zijn belast met het zo snel
mogelijk sturen van een coördinator van de
kynologenhulpverleningsoperaties en van minimum 2
kynologenhulpverleningsteams naar de plaats van de interventie. 4. De coördinator
van de kynologenhulpverleningsoperaties roept, in overleg met de directeur van de kynologenhulpverleningsoperaties
of de gerechtelijke autoriteiten of de politie, indien nodig, versterking van kynologenhulpverleningsteams
op via de twee voormelde hulpdiensten. Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit
van 2 oktober 2009 betreffende de opleidingen van hulphondengeleider en van instructeur in de kynologenhulpverlening,
de accreditering van de kynologenhulpverleningsteams en de functie van coördinator van de kynologenhulpverleningsoperaties. De
Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM
Bron: Het Staatsblad
|
|
|
|
| |
Gemiddelde score: 0 Stemmen: 0
| |
|